Ouderdom

De leeftijd van een paard is vooral van betekenis voor de gebruikswaarde van het dier. De leeftijdsschatting wordt uitgevoerd aan het gebit. De dierenarts wordt verondersteld hierover een eindoordeel te kunnen geven.


Jong paard
Een jong paard heeft relatief sterk ontwikkelde schedelbeenderen ten opzichte van de aangezichtsbeenderen. Deze laatste groeien pas volledig uit na de tand- en kieswisseling. De verhoudingen bij een jong paard zijn anders dan bij een uitgegroeid dier; bij jonge dieren valt de hoogbenigheid op.
Jonge paarden hebben een wigvormig hoofd.
Een veulen heeft een korte, wollige staart. Ook de manen zijn kort en wollig. De lichaamsbeharing is minder vlak aanliggend dan bij een ouder dier.
Jonge paarden zijn vrijwel altijd overbouwd. De schoft is nog weinig ontwikkeld; de doornuitsteeksels groeien later uit.

 

Ouder paard
Een ouder paard heeft vaak wat hoekiger vormen. De spieren van het lichaam verminderen enigszins, waardoor de rug wat inzakt en het kruis invalt.
Het hoofd krijgt een oudere uitdrukking. De lippen zijn minder goed gesloten en worden net als de oogleden rimpelig. De kaakranden worden scherper.

 

 

 

LEEFTIJDSCHATTING

Inspectie bij gesloten mond
De leeftijdsschatting kan het beste plaatsvinden aan de snijtanden in de onderkaak.
De inspectie begint met het van elkaar halen van de lippen waarbij de tanden op elkaar blijven.

We kijken naar de aard van de tanden; hebben we te doen met veulen- of paardentanden?
Verder is van belang hoe de tanden van boven- en onderkaak op elkaar sluiten en de hoek die deze tanden met elkaar maken.
Hoe ouder een paard hoe scherper de hoek tussen de tanden van boven- en onderkaak.


Dit is het gebit van paarden tot een leeftijd van ongeveer tien jaar.

-----
Bij paarden tussen tien en negentien jaar oud is de hoek tussen de tanden van boven- en onderkaak scherper geworden.

 


-----
Dit is het beeld dat bij een paard van twintig jaar en ouder gezien wordt.

 

 

Inspectie bij geopende mond
Bij de geopende mond beoordelen we de vulling van de tanden, de vorm van de wrijfvlakte, de bodems van kroonholtes, de tandsterretjes en de vorm van de tandboog van de onderkaak snijtanden.




Veulentanden versus paardentanden
Veulentanden zijn kleiner en witter dan paardentanden. De voorvlakte is geribd. Omdat de tandhals een insnoering tussen kroon en wortel vormt, zijn veulentanden spatelvormig.


Paardentanden zijn langer, breder en vaak geler van kleur. Er is geen duidelijke hals.
De snijtanden in de onderkaak hebben één vrij diepe sleuf op de lipvlakte.



Voorbeelden
De veulentanden zijn gevuld.
De leeftijd is 2 jaar.


De binnentanden zijn gewisseld en de voor-randen zijn in slijting.
Het paard wordt dan geschat op 3 jaar.


Ook de middentanden zijn gewisseld; het paard is dan 3½jaar.


De buitentanden wisselen op 4½ jaar.
Hier komen ze net door.


De voorranden van de buitentanden komen een half jaar na de wisseling, dus op 5 jaar in slijting.


Op respectievelijk 6, 7 en 8 jaar vullen de binnen-, midden en buitentanden. Hier zijn de buitentanden juist gevuld.; het paard is 8 jaar.

De tanden zijn gevuld. De vorm van de wrijfvlakte wordt rondachtig, maar ze zijn nog iets breder dan diep. Alle kroonholtebodems zijn nog aanwezig.
De leeftijd ligt tussen de 10 en 13 jaar.


De wrijfvlakten van de tanden van dit gebit zijn ongeveer even breed als diep. De bodems van de kroonholtes zijn verdwenen en het tandsterretje is rond. De leeftijd wordt op ongeveer 15 jaar geschat.


De vorm van de wrijfvlakte is hier dieper dan breed. De tandboog is gestrekt. Het gaat hier om een oud gebit; 18-19 jaar.