Strontvlieg

We worden er niet goed van in de zomer. Overlast van vliegen. Eén van de vliegen treffen we vooral in de buurt van de mesthoop aan. De strontvlieg. Eigenlijk houden ze meer van koeienmest dan van paardenmest, zo blijkt.

Culinaire voorkeuren
Als we ze voorbij zien komen, zijn we er klaar mee. Maar als je het ‘stront-element’ wegdenkt zien ze er eigenlijk  best netjes uit. De mannelijke exemplaren zijn goudgekleurd, de vrouwtjes groen. En ook met hun culinaire voorkeuren is niets mis: ze leven vooral van de nectar van bloemen en zuigen geregeld een klein insect uit. Ze eten dus geen mest. Een stuk hygiënischer dan de huisvlieg, bijvoorbeeld, die zodra hij op ons voedsel landt, een piepkleine klodder spuug achterlaat.

Toepasselijke naam
En toch hebben strontvliegen geen al te best imago. Dat komt in eerste instantie door hun naam, natuurlijk. De wetenschappelijke Latijnse naam klinkt nog wel imposant: Scatophaga stercoraria. Maar in het Nederlands is geen van de drie alternatieven echt aantrekkelijk: strontvlieg, gele strontvlieg of drekvlieg. Een toepasselijke naam is het wel: van april tot en met oktober zijn er in paardenstallen ontzettend veel strontvliegen aanwezig: de gouden mannetjes wachten met tientallen tegelijk boven op de mest op de komst van hun vrouwelijke soortgenoten. De vrouwtjes vliegen ondertussen rond met nog onbevruchte eieren en als die genoeg gerijpt zijn, vliegt ze (geholpen door haar reukzin) naar verse mest. Meestal vliegt ze tegen de wind in, zodat de geur extra sterk is.

Eieren
Zodra zo’n glimmend groen vrouwtje landt, ontstaat er een flink gedrang. De mannelijke strontvliegen vechten uit wie met haar mag paren. De winnaar neemt haar mee naar een rustige plek voor de paring, al gebeurt dat soms ook wel op de mest zelf. Daarna keren ze samen terug naar de plek waar ze elkaar ontmoet hebben, de hoop mest dus. Het vrouwtje legt in de mest haar eieren (elk ongeveer 1 millimeter groot), die kleine ‘zijvleugels’ hebben zodat ze niet in de drek wegzinken. Uit de eieren komen larven, die uitgroeien tot een nieuwe generatie strontvliegen. De larven eten, in tegenstelling tot hun ouders, wel van de mest.

Liever koeienvlaai
Strontvliegen zijn een voorbeeld van mestfauna: soorten die mest gebruiken als voedselbron of voor voortplanting. Ook mestkevers behoren (zoals hun naam al verraadt) tot de mestfauna. We mogen blij zijn met die mestfauna, want door hun eetlust helpen ze de mest sneller af te breken. Wat dat betreft is het ook geen goed idee om strontvliegen uit de stal proberen te weren: in feite zijn het uitstekende vuilopruimers, hoe vervelend hun constante gezoem soms ook is. Bioloog en vliegenexpert Paul Beuk: ‘Gele strontvliegen komen niet eens hoofdzakelijk op paardenvijgen af. Het liefst leggen ze hun eitjes in koeienvlaaien. Die bevatten meer vocht waardoor de eitjes eenvoudiger in de mest kunnen worden afgezet en de larven er makkelijker uit kruipen. In een harde vijg gaat dat lastiger. Dat is trouwens ook de reden dat je in de zomer veel minder strontvliegen ziet – de mest is dan te ver uitgedroogd.’

Kleine mestvlieg
Zelf is Beuk regelmatig op de manege te vinden. ‘Mijn dochter zit op paardrijles. Als ik haar ophaal, kijk ik altijd even in de kruiwagens met mest, om te zien welke vliegen er zitten.’ Een soort die hij trouwens ook vaak aantrof, was de kleine mestvlieg (Sphaeroceridae). ‘Van die kleine, zwarte vliegjes die je veel in de stal ziet. Die hebben er minder last van als een paardenvijg is uitgedroogd, juist door hun geringe grootte kunnen ze de poep makkelijker in en uit.’

Bron: Hippos